maandag 26 november 2007

Sokrates' verdediging

Referentie

Plato, Sokrates' verdediging, vertaald door Gerard Koolschijn, Amsterdam: Polak & Van Gennep Uitgeversmaatschappij BV, 1991, 35 p.

Informatief extract

"En, mannen van Athene, protesteert u niet, ook al lijkt het u grootspraak wat ik zeg, want wat ik ga zeggen is niet van mij afkomstig. Ik zal naar een betrouwbare zegsman verwijzen. Voor mijn inzicht, of het er wel één is en wat voor één, zal ik u namelijk als getuige de god in Delfi leveren.
U kent Chairefon toch? Die is van jongs af met mij bevriend geweest en ook bevriend met uw democratische partij, en hij is indertijd mee in ballingschap gegaan en met u teruggekeerd. U weet wel wat voor iemand Chairefon was, hoe serieus hij alles aanpakte. Zo is hij ook eens naar Delfi gegaan en heeft hij het gewaagd over het volgende het orakel te raadplegen. En zoals ik al zei, protesteert u nu niet, mannen. Hij vroeg namelijk of er iemand was die meer inzicht had dan ik. Nu, de Pythia antwoordde dat niemand meer inzicht had. Hierover zal zijn broer daar een getuigenverklaring voor u afleggen, want zelf is hij overleden.
U moet bedenken dat de reden waarom ik dit vertel is dat ik u wil uitleggen hoe ik die slechte naam heb gekregen. Toen ik dat namelijk had gehoord, dacht ik bij mezelf: Wat bedoelt de god eigenlijk en waarop zinspeelt hij toch? Want ik ben me bewust dat ik helemaal nergens verstand van heb. Wat bedoelt hij dan eigenlijk wanneer hij zegt dat niemand zoveel inzicht heeft als ik? Liegen doet hij toch niet. Dat mag hij niet.
Lange tijd verkeerde ik in onzekerheid over wat hij eigenlijk bedoelde, maar toen zette ik me met veel tegenzin aan een soort onderzoek daarvan, op de volgende manier. Ik ging naar iemand toe die de reputatie had een verstandig mens te zijn. Zo ergens, dan zou ik daar de uitspraak van de god kunnen weerleggen, dacht ik, en het orakel kunnen aantonen:
Die man daar heeft meer inzicht dan ik, terwijl U dat van mij zei, Ik onderwierp die man dus aan een onderzoek—zijn naam hoef ik niet te noemen, maar het was een politicus bij wie ik zo’n ervaring had, Atheners—en terwijl ik met hem sprak, kreeg ik de indruk dat die man wel door allerlei mensen verstandig werd gevonden en vooral door zichzelf, maar dat hij het niet was. En vervolgens probeerde ik hem duidelijk te maken dat hij wel dacht verstandig te zijn, maar het niet was. Daardoor kreeg hij dus een hekel aan mij, net als veel van de mensen die erbij waren.
In elk geval dacht ik bij mezelf, toen ik wegging: Die man heeft inderdaad minder inzicht dan ik. Want het schijnt dat wij geen van beiden over behoorlijke kennis beschikken, maar hij denkt iets te weten wat hij niet weet en ik weet niets en denk dat dan ook niet. Het lijkt dus wel of ik in elk geval iets meer inzicht heb dan die man, alleen doordat ik niet denk iets te weten wat ik niet weet.
Daarna ging ik naar iemand anders die de reputatie had nog verstandiger te zijn dan hij en bij hem kreeg ik diezelfde indruk. Ook in dat geval kregen hij en veel andere mensen een hekel aan mij. Daarop bezocht ik verder een hele reeks mensen. Overal merkte ik tot mijn verdriet en tot mijn schrik dat men een hekel aan mij begon te krijgen, maar het leek me toch noodzakelijk aan de zaak van de god de meeste waarde te hechten.
Ik moest dus op weg om na te gaan wat het orakel betekende, naar iedereen die de reputatie had iets te weten. En waarachtig, mannen van Athene—ik moet tegenover u nu eenmaal de waarheid spreken—ik zweer u, mijn ervaring was ongeveer zo. De mensen die het hoogst in aanzien stonden, maakten op mij de armzaligste indruk toen ik dat onderzoek volgens de aanwijzingen van de god instelde. En anderen, die lager werden aangeslagen, leken me wat verstand betreft meer voor te stellen.
Ik moet mijn zwerftocht wel aan u voorleggen, de heroïsche inspanningen als het ware, die ik deed om vast te stellen dat het orakel voor mij inderdaad onweerlegbaar was. Na de politici ging ik naar de schrijvers, de mensen die tragedies en dithyramben hadden geschreven en de anderen, in de verwachting mezelf daar op heterdaad te betrappen dat ik minder wist dan zij. Ik nam dus hun geschriften mee waaraan ze naar mijn idee de meeste zorg hadden besteed en vroeg hun dan steeds wat ze ermee bedoelden. Zo kon ik dan tegelijk nog iets van hen leren. Nu, ik schaam me, mannen, om u de waarheid te zeggen, maar dat moet toch gebeuren. Eigenlijk spraken bijna alle mensen die er telkens bij waren beter over wat zij geschreven hadden dan zijzelf.
Ook van de schrijvers begreep ik dus al gauw dat ze niet dankzij een bepaald inzicht maakten wat ze maakten, maar door hun natuurlijke aanleg en in vervoering, zoals profeten en waarzeggers. Die zeggen ook allerlei mooie dingen maar hebben geen verstand van wat ze zeggen. Zoiets leek mij ook bij de schrijvers het geval te zijn. Tegelijk merkte ik dat zij door hun werk in de mening verkeerden ook van andere dingen meer verstand te hebben dan andere mensen, wat niet het geval was. Ook daar ging ik dus weg met de gedachte dat ik hun meerdere was, op dezelfde manier als bij de politici.
Ten slotte ging ik naar de handwerkslieden. Want ik was me bewust dat ik zelf hoegenaamd niets wist en van hen wist ik in elk geval dat ik zou ontdekken dat ze veel waardevolle kennis bezaten. Daarin werd ik ook niet teleurgesteld. Ze wisten dingen die ik niet wist en in zoverre hadden ze meer inzicht dan ik. Maar, mannen van Athene, ik kreeg de indruk dat de goede ambachtslieden dezelfde fout maakten als de schrijvers. Door het feit dat hij zijn vak verstond maakte ieder er aanspraak op ook van de andere, de belangrijkste dingen veel verstand te hebben, en die vergissing van hen overschaduwde hun kennis. Ik stelde me dus in naam van het orakel de vraag: Waaraan zou ik de voorkeur geven? Te zijn zoals ik ben, zonder iets van hun kennis van zaken maar ook zonder hun onwetendheid, of net als zij die twee te combineren? Nu, ik gaf mezelf en het orakel het antwoord dat ik erbij gebaat was te zijn zoals ik ben.
Als gevolg van dat onderzoek, mannen van Athene, heb ik dus veel vijanden gekregen, van de ergste en verschrikkelijkste soort, zodat ik vaak werd belasterd en die naam kreeg een geleerd man te zijn. Want telkens denken de mensen die erbij zijn dat ikzelf van het onderwerp verstand heb als ik de beweringen van een ander weerleg. Maar zo te zien, mannen, is het in werkelijkheid de god die inzicht heeft en met dat orakel wil zeggen dat menselijk inzicht maar weinig of niets waard is. Het lijkt wel of hij dat van Sokrates zegt, maar in feite heeft hij alleen mijn naam gebruikt om mij als voorbeeld te geven, alsof hij wil zeggen:
‘Mensen, de verstandigste van u is wie net als Sokrates heeft begrepen dat hij op het punt van kennis in feite niets waard is.’
Daarom zet ik dus ook nu nog mijn speurtocht volgens de aanwijzingen van de god voort, op zoek naar landgenoten of buitenlanders van wie ik denk dat ze inzicht hebben. En wanneer ik vind dat het niet zo is, kom ik de god te hulp en toon ik aan dat het hun aan inzicht ontbreekt. Door deze bezigheid heb ik geen tijd gehad in de politiek iets noemenswaardig te presteren, of in het maatschappelijk leven. Ik verkeer in de grootste armoede omdat ik in dienst sta van de god.
Daar komt bij dat de jonge mensen die mij volgen en de meeste Vrije tijd hebben, de zonen van de rijken, er uit zichzelf plezier in scheppen te horen hoe de mensen worden ondervraagd. Ze doen me dikwijls na en proberen dan anderen te ondervragen, en daarbij vinden ze natuurlijk mensen in overvloed die denken iets te weten maar weinig of niets weten. Degenen die door hen worden ondervraagd maken zich daar door dan kwaad op mij in plaats van op zichzelf en zeggen dat er een of andere Sokrates is, een smeerlap, die de jeugd bederft. En wanneer iemand hun vraagt door welke activiteit en welk onderwijs, kunnen ze niets zeggen en weten ze het niet. En om niet met de mond vol tanden te staan, noemen ze die voor de hand liggende dingen, die tegen alle intellectuelen worden aangevoerd: wat er in de lucht is en onder de aarde, en niet in goden geloven, en van het zwakste argument het sterkste maken. Want de waarheid willen ze natuurlijk niet zeggen, dat van hen aan het licht is gekomen dat ze wel doen alsof ze iets weten maar niets weten. Eerzuchtig als ze natuurlijk zijn, en fel en talrijk en omdat ze in gesloten gelid en overtuigend over mij spreken, hebben ze u zowel vroeger als nu de oren van het hoofd gepraat met hun felle beschuldigingen.
Op grond daarvan heeft ook Meletos mij aangevallen, en Anutos en Lukon: Meletos uit ergernis voor de schrijvers, Anutos voor de hand werklieden en de politici, en Lukon voor de redenaars. Dus zoals ik in het begin al zei: Het zou me verbazen als ik in staat was bij u in zo’n korte tijd een negatieve indruk weg te nemen die zo wijd verbreid is geweest.
Daar hebt u de waarheid, mannen van Athene. Ik spreek zonder ook maar het geringste voor u te verbergen of een blad voor de mond te nemen. Toch weet ik bijna zeker dat ik me juist daardoor gehaat maak, wat tegelijk een bewijs is dat ik de waarheid spreek en dat dit is wat mij kwalijk wordt genomen, en dat de oorzaak daar ligt. En of u dit nu deze keer of later onderzoekt, dit zult u ontdekken." (p. 10-14)

Creatieve commentaar

Eeuwen nadien leeft de essentie nog door een beschuldiging!

De uitdrukking "De waarheid kwetst" is tijdloos. Zie laatste alinea.

Het is een gave, door te vertellen dat je niets weet, de slimste te zijn. Of valt dat te betwisten? Hij is er wel te vroeg door aan zijn einde gekomen.

Geen opmerkingen: