Referentie
De verbeelding van het denken. Geïllustreerde geschiedenis van de westerse en oosterse filosofie. Jan Bor en Gerrit Petersma e.a. (red.), Amsterdam - Antwerpen: Contact, 2004, zevende uitgave, 400 p.Informatief extract
"Een van de centrale doctrines van alle boeddhistische scholen, zowel die van de hinayana als die van de mahayana, is de leer van het niet-zelf, vaak aangeduid met het Pali-woord anatta (an-att; niet-zelf; Sanskriet: an-atman). Deze leer stelt dat een substantieel en onvergankelijk zelf, een zogenaamd ‘persoon’, niet bestaat. Zonder twijfel zullen gewone, niet-filosofisch geschoolde mensen in het bestaan van zo’n zelf of ‘persoon’ geloven en hun leven leiden alsof er werkelijk zoiets bestaat. Maar de filosoof die gewend is de fenomenen van de dagelijkse ervaringen te herleiden tot hun ultieme componenten, zou ontdekken dat wat we gewoonlijk een ‘persoon’ noemen is samengesteld uit vijf ‘aggregaten’ (Pali: khan da; Sanskriet: skandha), die we de elementen van de persoonlijkheid kunnen noemen. De vijf aggregaten waaruit een persoon is samengesteld, zijn: vorm, gevoel, waarnemingen, impulsen en bewustzijn.
De vorm (rupa) betreft het materiële menselijke lichaam, dat uit de vier elementen aarde, water; vuur en lucht is samengesteld, en de vijf fysieke zintuigen en hun objecten. Het tweede aggregaat (vedana) beslaat de lichamelijke of mentale gevoelens die plezierig, onplezierig of neutraal kunnen zijn en die ontstaan uit het contact van de zintuigen (vijf externe en het interne, dat manas wordt genoemd) met hun corresponderende externe objecten. Het derde aggregaat (samjna) bestaat uit de zes soorten waarnemingen die overeenstemmen met de zes zintuigen. Het vierde {samskara) omvat alle actieve disposities, hebzucht, dc haat, alle neigingen, wilsuitingen en dergelijke, of ze nu bewust of onbewust zijn. E laatste ten slotte vijnana) omvat de zes soorten bewustzijn die het resultaat zijn van het contact van een zintuig met zijn corresponderende object.
Volgens deze boeddhistische leer is er behalve de vijf aggregaten geen entiteit die men met ‘persoon’ zou kunnen aanduiden. Dit vijfvoudige fenomeen we ‘persoon’ noemen, bestaat volgens de wet van het afhankelijk ontstaan als een proces van continu ontstaan en verdwijnen, zonder dat er een onvergankelijk en substantieel zelf of ziel achter zit.
Het oudste werk waarin we de ontkenning van een substantieel zelf duidelijk verwoord vinden, is de Milindapanha (De vragen van koning Milinda). Deze Pali-tekst bevat een dialoog tussen de Griekse koning Menander (Pali: Milinda), die tegen het einde van tweede eeuw voor Christus over het Bactrische koninkrijk regeerde, en de boeddhistische monnik Magasena. De monnik neemt de wagen waarin de koning naar hem toe kwam als voorbeeld en legt uit dat de onderdelen van de wagen, de as, de wielen, de carrosserie, het span, noch stuk voor stuk, noch allemaal samen, een wagen zijn. ‘Wagen’ is ‘niet meer dan een woord, een naam, een predicaat zonder dat er een realiteit is die ermee overeenkomt. Net zo is wat we als ons ‘ego’, of onze ‘persoon’ beschouwen niet meer dan een naam, die we op de vijf aggregaten van vorm (of materie), gevoelens, waarnemingen, impulsen en bewustzijn plakken, zonder dat die naam naar een realiteit verwijst. Voor wie het onderscheid niet kent, lijkt het, alsof er een ‘persoon’ is die met die aggregaten is uitgerust. Voor wie het onderscheid wel kent, en door analyse van de fenomenale realiteit de ware aard van de realiteit kent, zijn er alleen de vijf aggregaten die in een onophoudelijke stroom ontstaan en verdwijnen en ons zo de illusie geven van een ‘onvergankelijk en substantieel ego.
De boeddhistische ontkenning van een substantieel zelf zet zich af tegen de brahmaanse theorie van Atman of zelf, dat het onvergankelijke subject van iemands daden en ervaringen is. Tegen die opvatting brengen de boeddhisten in dat er slechts tijdelijke, veelvoudige en onpersoonlijke gebeurtenissen, processen bestaan, dharma’s, die elkaar in een continue reeks opvolgen. Met andere woorden, er zijn fysieke en mentale processen of gebeurtenissen, er zijn daden en ervaringen, maar er is geen onvergankelijke dader van de daden, noch een onvergankelijk subject dat de vruchten van de daden ervaart. Zoals Buddhaghosa (vijfde eeuw n. Chr.), waarschijnlijk de belangrijkste schriftverklaarder van de canonieke geschriften van de theravada, het zo treffend uitdrukt:
"Geen dader van de daden wordt gevonden;
Niemand die ooit de vruchten plukt.
Slechts naakte fenomenen volgen elkaar op —
Alleen dit inzicht is juist en waar."
Bovendien heeft de leer van het niet-zelf een pragmatisch doel. Het is gericht op het uitbannen van de concepten; ‘ik’ en ‘mijn’, die gangbaar zijn bij gewone mensen en die de basis vormen voor de dorst naar zintuiglijke ervaringen, naar voortzetting van het bestaan dan wel naar dc opheffing van het bestaan, die zoals we eerder zagen de bron van al het lijden is." (p. 76-77)
Creatieve commentaar
In dit informatief extract vind ik de beschrijving van de mens als ' persoon', interessant, vooral omdat het uit de optiek 'geloof' wordt bekeken: "De vijf aggregaten waaruit een persoon is samengesteld, zijn: vorm, gevoel, waarnemingen, impulsen en bewustzijn."
Er leefden doorheen onze geschiedenis mensen met een inzicht dat op zijn minst opmerkelijk genoemd kan worden. Een bijzonder zicht in 'de manier der dingen', in hun samenhang . Des te specialer zijn omschrijvingen zoals deze, omdat wij nog zelden tot zulke inzichten zullen komen. Wij worden ondersteund in onze ontdekkingen door meer empirische feiten die ons door de natuur en onze (steeds fijner op die natuur afgestemde) technologie worden gegeven en dat maakt ons inzicht minder bijzonder (de contradictio in terminisgraad is te verwaarlozen naargelang de discussie). Boeddha werd geboren 560 vChr.
Ook de in de tekst beschreven wisselwerking tussen de 'substanties' is het lezen waard, bekeken vanuit onze wetenschap. "Het tweede aggregaat (vedana) beslaat de lichamelijke of mentale gevoelens die plezierig, onplezierig of neutraal kunnen zijn en die ontstaan uit het contact van de zintuigen (vijf externe en het interne, dat manas wordt genoemd) met hun corresponderende externe objecten." Dit leest als een omschrijving uit de moderne psychologie.
Neem vervolgens deze uitdrukking: "Het materiële menselijke lichaam, dat uit de vier elementen aarde, water, vuur en lucht is samengesteld", waarover men spreekt in de tekst. Heeft men het hier over de materiële elementaire samenstelling van de mens? Had men er een begrip, notie van dat men alles kan herleiden tot kleinere deeltjes? Deeltjes die vuur maken, of water, aarde of mens? Dat de materie die in het 'één' (geheel) zit, ook zijn wortels in de/het ander kan hebben?
'Geloof' heeft door de eeuwen heen een geschiedkundig en filosofisch onschatbare waarde opgebouwd, zoals je bijvoorbeeld in dit overgeleverde relaas kan lezen over het bestaan van de mens en zijn bijhorende voelen of denken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten